HEILIGEN

Tussen haken [XX] staat de bron.

7 (soms ook 17) januari: Albertus van Siena (Montealceto bij Siena – 12 e eeuw Siena)
Na een peligrimstocht naar het Heilige Land en naar Santiago de Compostella leefde hij 27 jaar lang als kluizenaar van de Camaldulenzer orde op de berg Toricelli. Eens kwam een haas, toen jagers achter hem aan zaten, bij hem zijn toevlucht zoeken in de mouw van zijn habijt.
Attribuut: met een haas op de arm.
Icoon: als oude kluizenaar naar de hemel wijzend, voor hem knielt St. Reinier van Pisa (circa 1340 door Andrea Bonaiuto, Camposanto, Pisa). [LI]

15 januari: Adalbert I van Bremen – Hamburg (circa 1000 – Goslar 16 maart 1072)
Geboren omstreeks 1000 als zoon van de Thüringse graaf Friederich von Gosseck. Hij werd in 1043 door de Rooms Duitse koning en keizer Hendrik II (bijgenaamd de Heilige) aangesteld tot aartsbisschop van Bremen en Hamburg en werd door hem gesteund bij de pauskeuze in 1046. Adalbert weigerde dit en steunde op zijn beurt de bisschop van Bamberg, de latere paus Clemens II. Diens opvolger Leo IX benoemde Adalbert tot vicaris en legaat van het Noorden (Finland, IJsland, Groenland). Adalbert liet de kathedraal van Bremen bouwen, waar hij ook begraven ligt. [RO, www.weltchronik.de ]

17 januari: Albertus van Buxhövden (1160 – Riga 17 januari 1229)
Bisschop van Riga (Lijfland) van 1199 tot 1229. Afkomstig van Bremen en geldt als een van de belangrijkste missiebisschoppen van de dertiende eeuw. Stichtte in 1201 Riga. In 1207 werd hij door Filips van Zwaben beleend met Lijfland. In 1224 maakte hij zich ook meester van Letland. In zijn nog heidens bisdom voerde hij het christendom met geweld in door er kolonies van Duitse kruisvaarders en landverhuizers te vormen.
In 1202 stelde hij de geestelijke ridderorde van de Zwaardridders in. Hij stond aan de orde een derde van Lijfland af. Lijfland werd zodoende de tegenhanger van de christelijke Duitse Marken, die eerder in het westen en langs de Oder waren ontstaan. [LR, WP]

24 – 25 februari: Ethelbert van Kent († 616)
Werd geboren als zoon van Eormenric en wordt ook vereerd als H. Edelbrecht of Aetelbert. Hij werd de eerste christenkoning van Kent. Huwde met de dochter van de Frankische koning Charibert, Bertha die hem drie kinderen schonk, waaronder zijn opvolger Eadbald.

11 maart: H. Alberta (overleden circa 286 Agen)
Maagd, samen met St. Fides gemarteld als een van de eerste slachtoffers onder Diocletianus.

20 maart – 20 mei: Edelbert of Ethelbert van Oost-Anglia († 794), koning

5 april: Albertus van Montevorvino (Normandie - 1127 Montecorvino)
Hij vestigde zich met zijn ouders in Montecorvino bij Salerno en werd hier bisschop. Op hoge leeftijd werd hij blind en zijn assistent behandelde hem met verachting en wreedheid. Hij verdroeg dit alles geduldig. [LI]

23 april: St. Albert van Praag, (of: van Bohemen ) (overleden ..)
Was afkomstig van een adellijke Boheemse familie en werd in 983 tot bisschop van Praag aangesteld. Na een tijd trad hij af om zich aan missiewerk te wijden, echter zonder veel succes. Hij vertrok naar Rome en trad er in het benedictijnen klooster van San Alessio. In 992 keerde hij naar Praag terug en stichtte het klooster van Brevnov nabij Praag. Kort daarop verliet hij de streek om zich in te zetten voor de evangelisering van de volkeren rond de Balitische Zee. In een bos niet ver van Fischhausen, het huidige Rybaki, moest hij in 997 zijn prediking met de dood bekopen. Zijn lichaam werd door Boleslow de Dappere van de Pruisen gekocht voor zijn gewicht in goud en overgebracht naar de kathedraal van Gniezno, het huidige Gnesen in Polen, waar het zich thans nog bevindt. [RO, CP]

7 of ook 11 mei: Albert van Bergame (Ogna – Cremona, 7 mei 1190)
Wordt ook Albertus de Landbouwer of van Ogna (bij Bergamo) genoemd.
Hij was landbouwer die klaarstond voor armen en behoeftigen. Hij had door zijn gulheid te lijden van zijn twistzieke vrouw en jaloerse familie. Maakte acht keer een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella waarbij hij in zijn levensonderhoud voorzag door als boerenknecht te werken. Stierf als derde-ordedominicaan. Men neemt aan dat hij al in 1276 of 1277 door paus Johannes XXI heilig werd verklaard, maar zeker is dat niet. Is in 1748 zaligverklaard. Patroon van de wijnbouwers. Toen hij eens voor St. Homobonus van Cremona, wijn vervoerde, brak er een kruik, maar de wijn liep niet weg, en bleef als een vaste massa in zijn handen staan, als was ze bevroren.
Attributen: met boerenkiel; een duif brengt hem een hostie (zijn broodheer liet hem niet naar de kerk gaan); snijdt een hoefijzer door met een zeis. Dit verbeeldt een legende. Eens verscheen hij bij een hooioogst met een zeer kostbare zeis. Een jaloerse collega wilde hem een hak zetten en legde een hoefijzer op de plek waar hij met de zeis overheen zou gaan. Maar hij sneed het doormidden als was het de steel van een bloem. [LI]

17 juni: Albertus Chmielowski (Igolomia bij Kraków, 20 augustus 1845 – Kraków, 25 december 1916)
Na de opstand tegen de Russen van 1863 werd Adam Chmielowski, zoals zijn eigenlijke naam luidt, naar Siberie verbannen. Na zijn terugkeer werd hij derde-ordefanciscaan en stelde zich ten dienste van de allerarmsten. Hij stierf in een tehuis voor bedelaars dat hijzelf had gesticht. De later paus Johannes Paulus II schreef over hem het toneelstuk Broeder Gods. Hij is heiligverklaard in 1989. [LI]

18 juni – 10 september: H. Aubert van Avranches († 725)
Bisschop te Avranches in het zuiden van het huidige Normandische departement Manche. Hij wordt ook vereerd als de H. Autbert (is: Aldebert) en liet de eerste kapel bouwen op de Mont Tombe, de latere Mont Saint Michel in Normandië.

20 juni: Albert of Adalbert van Maagdenburg (overleden 981)
Benedictijn en in 968 door de Duitse koning en keizer Otto I de Grote tot aartsbisschop aangesteld van het toen pas gestichte Maagdenburg dat door paus Johannes XIII in 969 werd ingewijd. Verkondigde het evangelie aan de Russen. Hij werd begraven de domkerk te Maagdenburg.

25 juni: H. Adelbert of Athelbert van Engeland († 741)
Was aanvankelijk benedictijn. Hij verliet zijn land om samen met Willibrordus in Friesland het geloof te verkondigen. Werd later aangesteld tot aartsdiaken van Utrecht. Hij werd begraven in een kerk te Egmond die eerder in zijn opdracht was gebouwd. In 923 stichtte graaf Dirk III van Holland de abdij van Egmond ter ere van deze Adelbert. Zie ook (Egmond).

4 juli: H. Albertus van Lodi (12 e eeuw), bisschop.

8 juli: H. Albertus van Sestri († 1239)
Trad als lekebroeder in het cisterciënzerklooster van San Andrea di Sestri nabij Genua en leefde daar als kluizenaar.

7 augustus: Albertus van Sicilië (1212 Trapani – Messina 7 augustus 1307)
Wordt ook Albertus van Trapani of van Messina genoemd. Herdacht door de karmelieten.
Trad in Trapani in als karmeliet en werkte als priester aan de bekering van joden in Messina. Eens behoedde hij deze stad voor een hongersnood tijdens een beleg, door drie schepen met voorraad de haven binnen te laten komen. Zijn relieken zijn te Messina, zijn hoofd bevindt zich in Trapani. Hij is heilig verklaard in 1476.
Attributen: terwijl hij het Jesuskind in zijn armen ontvangt of een duivel overwinnend; een kruisbeeld tussen twee takken met lelies; met een geketende duivel.
Iconen: als jong karmeliet in habijt en wijzend op een geopend boek. Met het kind Jezus in de armen, de duivel met een voet vertrappend (duidend op duiveluitdrijving). Als attributen zijn er de duivel met vogelklauwen aan de ketting (wederom een verwijzing naar duiveluitdrijving) en het kruis waaruit twee lelies groeien als symbool voor de kuisheid (17 e eeuw, gepolychromeerd beeld van Alonso Cano, karmelietenklooster te Sevilla). Vaak samen met andere heiligen van zijn orde en met St. Maria Magdalena de' Pazzi en St. Theresia van Lisieux, die hem beiden zeer vereerden.
Scènes: duiveluitdrijving bij een meisje; wonderen, waaronder de genezing van de zieken (15 e eeuw, Getijdenboek Sforza, Brittish Museum Londen). [LI]

18 augustus: Albertus Hurtado (Vina del Mar (Chili, 22-1-1901 – Vina del Mar 18-8-1952)
Werd na zijn studie recten in 1923 jezuiet. Na studies in Argentinie, Spanje en Belgie keerde hij in 1936 naar Chili terug. Hier was hij werkzaa inhet sociaal apostolaat onder jongeren en stichtte het ‘hogar de Christo' (tehuis van Christus). Is zaligverklaard in 1994. [LI]

31 augustus: H. Albertinus van Fonte Avellana (overleden Fonte Avellana, 1294)
Monnik van het Heilig-Kruisklooster van Fonte Avellana bij Gubbio. Hij werd prior van de orde van Fonte Avellana. Deze orde is in de 16 e eeuw samengevoegd met die van de camaldulenzers. Bemiddelde met succes na onenigheden tussen de bisschop van Gubbio en de bevolking. [LI]

5 september: Albertus van Pontida (Bergamo – 12 september 1095 Pontida)
Na zwaar gewond te zijn geraakt, beloofde hij een religieus leven als hij zou genezen. Dat gebeurde en hij maakte eerst een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Hierna stichtte hij een benedictijnenabdij in Pontida ten westen van Bergamo volgens de regels van St. Hugo van Cluny en werd hier abt van. In 1911 werden zijn relieken vanuit Bergamo teruggebracht naar Pontida. [LI]

12 september: H. Ailbe († 541)

19 september: H. Ailbertus van Antoing († 1122)
Studeerde te Doornik waar hij tot kanunnik werd gewijd, doch leefde kort nadien als kluizenaar in de omgeving en later te Rolde, het huidige Kerkrade. Daar stichtte hij een klooster voor religieuze kanunniken. In 1111 stichtte hij te Claire-Fontaine en tweede tehuis. Zijn gebeente werd pas in 1897 overgebracht naar de abdij Rolduc te Kerkrade.

25 september: Albert van Jeruzalem (Gualterie, circa 1114 – Akko, 14 september 1214)
Karmelieten herdenken hem als wetgever van hun orde op 17 september.
Bisschop van Bobbio en later van Vercelli, vanaf 1205 patriarch van Jeruzalem. Hij wordt samen met St. Berthold van Calabrie beschouwd als de stichter van de orde van de karmelieten, voor wie hij op verzoek van St. Brocard van Karmel de leefregel schreef.
Attributen: met Jezus op de arm; met een lamp tijdens zijn nachtwaken; lelie (onschuld); boek en pen (hij schreef de orderegel); schepen (waarmee het belegerde Messina van voedsel werd voorzien); in karmelietenhabijt; met Maria een een schare van haar engelen; met crucifix; mes (een beambte die hij had ontslagen, stak hem hiermee).
Iconen: afgebeeld met boek en crucifix, staand op een op de grond liggende vrouwelijke figuur (het kwaad?), begin 16 e eeuw schilderij van Dosso Dossi, Chiesa del Carmine, Modena.
Scènes: de orderegel opstellend in het scriptorium, hierbij geinspireerd door de Heilige Geest in de gedaante van een duif (19 de eeuwse wandschildering van Luigi Morgari in de dom te Bobbio), de overdracht van de leefregel aan een prior (begin 14 de eeuw, predella van Pietro Lorenzetti, Chiesa del Carmine te Modena). [LI]

6 oktober: H. Alberta

17 oktober: H. Edelbrecht

15 november: Albertus Magnus, Albertus de Grote Duits natuurvorser, wijsgeer, theoloog en kerkleraar. Geboren te Lauringen (Zwaben) circa 1193, overleden Keulen 1280.
Waarschijnlijk stamde hij uit de grafelijke familie Von Bollstädt. Na te Padua (1223) de artes liberales en de medicijnen te hebben gestudeerd, trad hij in 1223 in de orde der dominicanen. Achtereenvolgens was hij docent wijsbegeerte en theologie te Keulen, Freiburg, Regensburg, Straatsburg en weer te Keulen. Daarna verbleef hij drie jaren te Parijs om doctor in de theologie te worden (1245 – 1248), maar tevens gaf hij hier colleges over de Sententiae van Petrus Lombardus. De toeloop tot deze lessen was zo groot, dat hij al spoedig in de open lucht moest optreden op een plein dat nog zijn naam draagt: Place Maubert (de afkorting van M(agister) Albert(us). In 1248 kreeg hij opdracht te Keulen een studium generale voor zijn orde in te richten. Hier behoorde Thomas van Aquino van 1248-1252 tot zijn leerlingen. Albertus zorgde dat Thomas daarna te Parijs hoogleraar werd; het werk van Thomas was onafscheidelijk verbonden met dat van Albertus. ‘Zonder het geweldige en vruchtbare werk van zijn leermeester', zo schreef E. Gilson over Thomas, ‘had de scherpzinnige geordende geest, die de leerling was, het grootste deel van zijn inspanningen moeten besteden aan het vergaren van ideeën'.
Van 1254 tot 1257 was Albertus provinciaal van de Duitse dominicanen provincie. In deze periode bezocht hij Rome waar hij de dominicanen verdedigde tegen de aanvalen van Willem Saint-Amour, wiens pamflet in 1256 door paus Alexander IV werd veroordeeld. Na zijn provincialaat (d.i. een kerkelijke betrekking in de provincie) kon hij zich weer aan de studie wijden, totdat paus Alexander IV hem in 1260 aanstelde als bisschop van Regensburg.
Hij saneerde de financiën van het bisdom en hervormde clerus en volk. Maar als wereldlijk vorst van Regensburg voelde hij zich niet op zijn plaats en in 1262 trok hij zich uit zijn ambt terug. Opnieuw terug in Keulen bleek een rustig studieleven nog niet voor hem weggelegd. Herhaaldelijk werd een beroep op hem gedaan om te bemiddelen in kerkelijke conflicten en een tijdlang moest hij bij Urbanus IV van Orvieto verblijven en werd bovendien nog belast met het preken van een kruistocht. In 1274 was hij aanwezig op het tweede concili van Lyon en n 1277 moest hij naar Parijs om zijn leerling Thomas, die in 1274 reeds was overleden te verdedigen tegen beschuldigingen van averroïsme die bisschop Tempier had aangevoerd.
Hij keerde terug naar Keulen en stierf daar op 15 november 1280. Hij is daar begraven in de parochiekerk van de H. Andreas.
In 1622 werd hij zalig verklaard. In 1931 heeft paus Pius XI hem heilig verklaard en tot kerkleraar verheven. In 1941 werd hij door paus Pius XII benoemd tot patroon van de natuurwetenschappers. Albertus, die om zijn encyclopedische kennis reeds bij zijn leven de naam kreeg van doctor universalis (allesomvattende leraar), was de vruchtbaarste en meest universeel geörienteerde Duitse schrijver uit de middeleeuwen. Hij doorvorste de werken van Arabische filosofen en Joodse rabbijnen die vertalingen van werken van Aristoteles naar het westen hadden overgebracht. Hij wist de arestotelische filosofie in haar geheel te reconstrueren, niet enkel om ze dienstbaar te maken aan de uitleg en verdediging van het christelijk dogma, maar ook om ze als autonoom waarheidsstreven in de natuurlijke orde te valoriseren. Baanbrekend werk verrichtte hij door in het middeleeuwse denken plaats in te ruimen voor de natuurwetenschappen. Onbegrensd was zijn weetgierigheid en geestdrift bij proefondervindelijk onderzoek op het terrein van de zoölogie, botanica, mineralogie enzovoort. De scheikunde dankt hem belangrijke ontdekkingen zoals het affineren van goud, de inwerking van salpeterzuur op metalen, zwavel- en kalionderzoek en het begrip affiniteit. De legende schrijft hem de uitvinding toe van een menselijke automaat, een robot die lopen en zelfs spreken kon. Een eigenlijke theologische school heeft Albertus niet gevormd, maar hij heeft het materiaal geleverd waarmee Thomas kon werken.
Patroon van: theologen, studenten, natuurwetenschappers, mijnwerkers.
Gebed:
God:
de heilige bisschop Albertus
heeft zijn grootheid aan U te danken,
want menselijke wijsheid wist hij te verenigen
met het geloof, uw goddelijke gave.
Wij vragen dat wij van deze heilige mogen leren
hoe elke vooruitgang in de wetenschap
kan leiden tot een betere kennis van U
en onze liefde groter kan maken.
Door Christus onze Heer.

Attributen: in dominicanerhabijt, mijter en staf (hij was bisschop); pen of schrijfveer en boekje in de hand: hij was geleerde.
Inonen: Uitzonderlijk is dat de iconografie zich als gevolg van zijn populariteit al ontwikkeld had voor zijn canonisatie. Vanaf de 14 e eeuw zien we de nimbus of stralenkrans. Afgebeeld als kerkleraar met traditioneel hoofddeksel en gekleed in dominicanerhabijt, of als kardinaal met mijter. Een bekende scène is Albertus temidden van zijn leerlingen (circa 1290, fresco, Santa Maria del Piano, Loreto Aprutino). Fra Angelico beeldde hem tweemaal af (in de kapittelzaal van het San Marcoklooster te Florence): in een scène waarin hij de leerstoel aan St. Thomas van Aquino overdraagt, en ingevoegd in de stamboom van orde. Vanaf de zaligverklaring in 1622 afgebeeld als ziener die een preekgebaar (met opgeheven hand maakt). De 18 e eeuw brengt weer nieuwe motieven: een duif vliegend rond zijn hoofd (symbool voor Maria die hem wijsheid geeft); schedel in handen (verwijzend naar ascetisch leven); schrijvend aan lessenaar in studievertrek vol boeken; met wereldbol in handen (verwijzend naar zijn verdiensten in de natuurwetenschappen).[GNL,www.heiligen.net, LI]

21 – 24 – 27 november: Albertus van Luik (of van Leuven)
Geboren te Leuven circa 1166, overleden te Reims 1192. Zoon van Godfried III, hertog van Lotharingen en van Margaretha van Limburg. Heilige, prinsbisschop van Luik. Hij werd in 1191 benoemd door de Brabantse tot prinsbisschop van Luik ondanks verzet van keizer Hendrik VI met zijn tegenkandidaat Lotharus van Hochstaden van de Henegouwse partij. Albert wendde zich eerst tot Hendrik IV, later reisde hij naar Rome, waar paus Celestinus III de keuze bekrachtigde en hem tot kardinaal benoemde. Daar hij in Luik niet werd toegelaten, ontving hij de bisschopswijding te Reims. Tijdens zijn verblijf aldaar werd hij door drie Duitse ridders vermoord op last van Hendrik IV, waardoor hij als martelaar vereerd wordt. In 1920 werd in de kathedraal van Reims zijn intact gebleven graf met zijn stoffelijk overschot ontdekt. In 1921 werden zijn relieken overgebracht naar Brussel, maar later kwam een gedeelte weer terug in de gerestaureerde kathedraal van Reims.
Attributen: staf (hij was bisschop); geen mijter (om te laten zien hoe zijn hoofd met een zwaard werd opengespleten); drie zwaarden als moordwapens; mes, degen of zwaard in de hand of in zijn lichaam gestoken; wapen van Brabant.
Iconen: Als bisschop met mijter en zwaard of als kardinaal, zittend, met hoed, palmtak en boek afgebeeld. Aan zijn voeten zien we drie zusters (drie moordenaars) alsook het wapen van Brabant (1516, houtsnede van Leonhard Beck). [RO, LI]

25 november: Albertus van Aduard († 1216)
Trad toe tot de cisterciënzerorde en werd later tot de tweede abt van het klooster te Aduard in Friesland aangesteld.

26 november: Albertus van Haigerloch (Haigerloch 1239 – Oberalteich, 27 november 1311)
Ook Adalbertus of Albertus van Oberalteich genoemd.
Graaf die in 1261 benedictijn werd in Oberalteich, waar hij hoofd werd van de kloosterschool en prior. Zette hier als eerste de zorg voor leprapatienten op. De Belgische koning Albert I (1909 – 1934) was naar hem vernoemd en voerde 26 november als koningsdag in.
Icon: de vindplaats van afbeeldingen beperkt zich tot Ober- en Niederalteich, Bogen, Sankt Emmeram en Regensburg. De oudste voorstelling met nimbus, boek en kazuifel is te zien op een relief op zijn grafepitaaf (1395 te Oberalteich). Op een kopergravure uit 1624 predikt hij onder een eik, terwijl hij op de achtergrond aan een leproos de communie uitreikt (Raphael Sadeler).
Scènes: Opname van een zalige in klooster door abt Poppo, leraar van de fraters, zijn benoeming tot prior en wonderen. [LI]

OVERIGE

Albertus, bisschop van San Sabina in Rome
Ook genoemd Aleric. Hij was kardinaal van Sabina toen hij in 1102 werd gekozen als opvolger van de tegenpaus Theodorus van Santa Ruffina. Deze was tegen de legitieme paus Paschalis II aangesteld door Hendrik IV in zijn strijds tegen diens supprematie. Albrechts niet cannonieke aanstelling werd niet geaccepteerd en hij werd spoedig gevangen genomen. Paschalis ordered him blinded en zond hem later naar een klooster waar hij de rest van zijn leven bleef. [Engelse]

Albertus Aquensis, kanunnik en custos van de kerk van Aken
Leefde in de elfde en twaalfde eeuw. Hij verzamelde mondelinge en schriftelijke getuigenisen van de kruistocht en tussen 1121 en 1158 stelde hij een Geschiedenis van de eerste kruistocht samen, een belangrijke maar betwiste bron over die gebeurtenis en de geschiedenis vna het koninkrijk Jeruzalem tot 1120. Er is weining bekend over zijn leven. Hij bezocht zelf nooit het Heilige Land. [.. , ENGelse stuk]

Albrecht van Brandenburg (28 juni 1490 – 24 september 1545 Aschaffenburg)
Keurvorst van Mainz, een van de bekendste bisschoppen uit de Reformatietijd. Geboren als tweede zoon van de Brandenburgse keurvorst Joh. Cicero. In 1513 aartsbisschop van Maagdenburg en administrator van Halberstad, in 1514 aartsbisschop van Mainz en in 1518 kardinaal.

Gravure van Albrecht Dürer

Om zijn verplichtingen tegenover Rome te voldoen leende hij geld bij het Augsburgse bankiershuis Fugger, terwijl Rome hem als compensatie de prediking van de aflaat voorstelde. De Lutherse beweging beschouwde hij als een theologische twist en zijn benoeming tot algemeen inquisiteur tegen de Lutheranen (breve van 3 januari 1521) belette hem niet met Luther en diens aanhang te sympatiseren. Ulrich van Hutten bleef aan zijn hof, ook na diens publiek verzet tegen de kerk. Lutheranen als Capito en Hedius waren zijn raadslieden. Vele anti katholieke uitgaven werden te Mainz gedrukt. In een breve van 28 november 1522 wees paus Adrianius VI hem op zijn plicht tegen Luther op te treden, maar nog in 1532 aanvaardde hij de opdracht van Melachton's commentaar op de Brief aan de Romeinen.
Voor een half miljoen ducaten stond hij in 1541 de bewoners van de bisdommen Maagdenburg en Halberstadt vrijheid van godsdienst toe en gaf zo dit gebied prijs aan de nieuwe leer, te meer doordat hij in 1544 de protestantse hertog Maurts van Saksen beloofde diens broer te benoemen tot coadjutor van genoemde bisdommen met recht van opvolging. Toch kwam er langzamerhand een kentering in zijn voorliefde voor de Reformatie, zoals bleek uit Luthers pamflet: Tegen de valse afgod te Halle (1538). Reeds na de Boerenoorlog in 1525 was dit merkbaar, maar hij kwam eerst geheel tot inkeer, toen zijn residentie Halle haar poorten voor het Lutheranisme openzette (1541). Hij verhuisde naar Mainz, riep de jezuiet Faber daarheen, verzamelde een edelgarde van katholieke geleerden om zich (Nausea, Cochleus, Wicelius, Dietenberger), stelde de drukpers van de uitgever Behem in dienst van de katholieke zaak, voerde een praktischer methode van godsdienstonderwijs in en liet verschillende kloosters visiteren en reformeren.
Maar hij blijft voor het nageslacht een zwak karakter, meer literator en werelds vorst dan priester, meer beschermer van de kunst dan van de godsdienst. In de door hem verfraaide kathedraal van Mainz werd een grafmonument opgericht. [KE]
terug