MEER OVER LUTEN

Lutenveentje bij Ruinen
Even ten zuiden van Ruinen lag een veentje met de naam: Luten­veentje. In 1958 is daar een sportterrein aangelegd, aan de rand van de es. Bij de aanleg van dat terrein bleek daar een compleet urnenveld te liggen. Waar komt de naam 'Lutenveentje' vandaan? Woonde daar een familie Luten, of heette dat veentje al lang zo, en is de familienaam daarvan afgeleid?
Zie: G. Kuipers, Zuid-west Drenthe, 's Gravenhage 1979, p 12/13.

Het bloed kruipt waar 't niet gaan kan
Dit is de titel van een boek van mevrouw J.H. Bergmans-Beins. Uitgegeven door Stichting Het Drentse Boek, Zuidwolde, 1992. ISBN 90.6509.117.3. Van de achterflap:

In een klein Drents dorp leven de families Luten en Frieling vredig naast elkaar.
De vrede wordt echter wreed verstoord wanneer de jonge Wiecher Luten aan zijn vader kenbaar maakt te willen trouwen met Roelfien, de dochter van Rieks en Annechien Frieling. Een dergelijk huwelijk zou een huwelijk met standsverschil betekenen: Harm Luten is de rijkste boer van het dorp, terwijl Frieling maar keuterboer is. Maar Wiecher trouwt toch met Roelfien en een breuk tussen vader en zoon Luten blijft dan ook niet uit.
De breuk duurt jaren voort, terwijl toch bij beide families in de loop der jaren het verlangen groeit om weer gewoon als familie samen te leven. Helaas is de koppigheid sterker. Zelfs als Wiecher na een lange ziekte sterft kan Harm Luten het hoofd niet buigen. Tenslotte is het kleine Harm, de zoon van Wiecher, die weet te bewerkstelligen dat zowel Harm als Fennechien Luten zich op weg begeven naar hun schoondochter.
In dit boek van J.H. Bergmans-Beins worden vele folkloristische elementen beschreven zoals: het 'wasschup', Sint Maarten, nieuwjaarsgebruiken, slachtrituelen, kleedgewoonten enz.
Naast een prettig leesbaar boek mag 'Het bloed kruipt waar 't niet gaan kan' ook gezien worden als een document waarin oude gewoonten zijn vastgelegd.

Lammi Luten, Thuiskomen, Leven na de dood van Andrea, Gopher Publishers, www.gopher.nl
Een boek van de hand van de moeder over de moord op Andrea Luten op 10 mei 1993.

Luten Avenue, New York
Op Staten Island New York ligt een straat Luten Avenue.

Luten Road, Quincy/Gretna (Florida)
Bij de plaats Quincy in Florida ligt de Luten Road, ook aangeduid als de County Highway 270A.

Lutenizing hormone
Met een ovulatiepredictorset kan vrouwelijke urine worden getest op hormonen die aangeven wanneer de ovulatie op het punt staat om te beginnen. De test werkt op basis van een toename van luteïniserend hormoon (Lutenizing Hormone - LH) in de urine (LH - toename), die gewoonlijk plaatsvindt 24 tot 36 uur voor de ovulatie. Een vrouw heeft de grootste kans om zwanger te worden in de 36 uur nadat deze toename is gesignaleerd.

Lutenbridge (juridische casus)

De Luten Bridge Company had opdracht gekregen van Rockingham County een brug te bouwen. Nadat het werk was begonnen, besloot de County dat ze de brug niet meer wilden en gaven opdracht het werk te staken. De County stopte met de aanleg van de bijbehorende weg. Luten voltooide echter de brug en eiste daarna zijn geld. Luten verloor de rechtzaken (plm. 1929).
Bron: website Berkeley universiteit.
De Luten Bridge was ontworpen door Daniel Benjamin Luten.

 

Uit het Middel Nederlands woordenboek deel 4.1 komen de volgende teksten:

LUTE (LEUTE, LUUT,LUYT(E)),zelfstandig naamwoord, vrouwelijk. Middelhoogduits lute ; middelnederlands lute ; hoogduits laute ; ndl. luit . Door het romaans (oudfrans luz , leut ; frans luth , portugees alaud , uit het arabisch ( al'oed ). Zie verder de Wdbb. en vergelijk Duc. 2 5, 157 "lutana, testudo, cithara; lutanista, citharista." Luit , een muziekwertuig in de vorm van een schildpad, met 24 darmsnaren, die met de vingers van beide handen werden getokkeld. Kil. "luyte, luydte, chelis, testudo, lyra, fides, cithara, cithara halieutica", en daarnaast allerlei samenstellingen, waarvan er verscheidene ook in het middelnederlands bekend zullen zijn geweest, daar het luitspel in de middeleeuwen zeer geliefd was (luytenbruggesken, luytenhout, luytenkraeghe, luy­tenmaecker, luytenroose of luytensolder, luytenslo­tel en luytensnaere); Teuth . luyte, eyn seydenspul, lutina \\ Selc hoort gherne melodien ... in herpen, in vedelen ..., in acaren, in luten ende in ghiter­nen, Hor. Belg. 6, 2, 26. Sanck, lof, ende alle spelen, die sijn altoos ghehoort van luyten en de velen, Profijt. Liedeb. 157, 1. Daer waren vedelen ende sitolen, ende meesteren ... met tambusen ende met fluten ende met harpen ende luten, Rose 693 ( var. B . fleuten, leuten). Hi moet bi hem hebben eenen, die op de vele, luyte, herpe oft centhorie spele, Scep v. W. 23 b. Een van der heeren knech­ten, die opter luyten conde spelen, Breidenb. 127 r . Dat de fame ons goets levens losteleker si te horene allen goeden menschen dan enech luit van selvere, Ruusb. 1, 16 ( door Surius is het woord te onrechte als luut, geluid opgevat ). Luten, harpen, sinphonien ..., instrumente van musike, Troyen 5565. Ooc speelde men daer ... melodieuselick up een orghele, harpe ende lute, Despars 3, 435. Men speelder ... up een harpe, een lute ende een doul­chamye, 434.

LUTE , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk. Een ver­korte vrouwennaam, waarschijnlijk uit Luutgaerde. Vergelijk Truw . 38 en 60 "suster Lute", met vs. 52: "Suster Luetgaert". Doch Lute kan ook uit andere namen zijn verkort. Kil. 898 geeft "Luit, Luitken, j. Luythilde, Clothilde, Luithildis, Clothildis; Luitwin, j. Lutwin (waarnaast ook Ludwina (, Lidwi­na , Brugm. 2, 108 noot)). Vergelijk ook Luet­gaert, -gaerde, -garde (Luthgaert), meermalen in het door Bormans uitgegeven leven van Sinte Lutgar­dis ( Kil. Luitgarde, Luitgarda, Luitmilla). Nog heden is Luitje (in Noord Holland) en Luutje (in Gelderland) als vrouwennaam bekend. Zie allerlei andere germaansche, met liut (volk) samengesteBron: Middel Nederlands woordenboek deel 4.1. lde, namen bij Graff 2,197. - Suster Lute schijnt de naam geweest te zijn voor eene bagijn . \\ Achter lande salic ( broeder Everaert ) u leiden ghelijc of ghi waert suster Lute, Truw . 37. Peinst om mi, zuster Lute; gherne, broeder Lollaert, OVl. Lied. e. G. 156, 8. Suster Luten bleef den prijs, 157, 27. - Luten leven, het vroolijke, losbandige leven der beggarden en bagijnen (?). \\ Hets recht dat men hem erve jan, die luten leven eerst began; daer nes gheen luumkin in ghespaert, OVl. Lied. e. G. 158, 46. - Misschien is dit Lute wel hetzelfde woord als het in de 17de eeuw voorkomende luyte (bijvoorbeeld Oudem. 4, 215: "een droncke luyte van een wijff" en nog heden te Kortrijk ( Belg. Mus . 8, 186) bekende lutte, lutje , dit is lui wijff . In Etym. Woorden­boek van Terwen wordt lutje vermeld als een gemeen­zame term voor mal meisje .

LUTEN (LUYTEN, LOYTEN) zwak werkwoord, intr. Luit­spelen, op de luit spelen. \\ Daer hoort men psal­terien, herpen, quinternen, luten, velen, orghelen, pipen, bonghen ende alrehande melodien, Con. Somm. 63 b (of is hier het meervoud der zelfstandig naam­woord bedoeld?) - De onbepaalde wijs als zelfstan­dig naamwoord gebruikt in den zin van mooie praat­jes om iemand in de val te lokken . Vergelijk het bekende "fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps", alsmede BENEN. \\ Had een ander dit ver­staen, die niet en kende dijn dasen, du soutsten licht verdwasen, als hi hoorde dijn scone loiten ( varr . loeyten, louyten), mer du verlieste hier al dijn floiten, want ic versta te wel dijn loghen, Rein . II, 7304 ( Proza-R flocken; volgens Willems heeft het hs. hier loeyen en floeyen, doch Martin vermeldt deze lezing niet).

LUTEN , zwak werkwoord trans. Met leem of klei be­strijken, leemen. Het woord komt evenals luteren (luteeren), dat hetzelfde betekent, van het latijn­se lutum , frans lut , waarvan het franse luter , met de eene of andere kleverige stof, klei, leem enzo­voort bestrijken. Doch luten is gevormd van het latijnse lutare (hoewel deze vorming een vrij hoog­en ouderdom aanduidt, schijnt toch het woord in de andere oudgermaanse dialecten te ontbreken), en luteeren van het franse luter . \\ Van den huse ... te latten, te decken ende te luten, Rek. Oudwijk v . 1408 (Archief te Utrecht) . Hiervan is eene samen­stelling het, Bijdr. Jacobik . 69, voorkomende toe­luten: "om dack (?) dairmen die glase mede toelute­de" en ald . Van dat sy die glaesveinsteren toelute­den II gul.".

LUTENARE , zelfstandig naamwooord, mannelijk. Luit­speler . Vergelijk het middelhoogduitse lutinist , het hoogduitse lautenist en voor de vorming harpe­naar (Kil. harpenere ). \\ M. den lutenare van mer vrauwe, Invent. v. Br. 5, 100.

LUTENSLAGER (LUYTEN-, LUUT-, -SLAGERE, -SLE­GER(E)), zelfstandig naamwoord, mannelijk. Middel­hoogduits lutenslaher : ook lutenslahen ; hoogduits lautenschlager (thans nog slechts als geslachts­naam). Luitspeler . Kil. luytslaegher j. luytenspe­ler, fidicen, citharoedus, citharistes. \\ Bet. mr. Lenaert den luitslager ende den tamborijn int ge­volg van den Hertog van Brabant, Navorscher 22, 138 ( a . 1486). Meester D. luytenslegher gegeven to drinckgelde III post. gl., O. Geld. Maalt . 221. J. van Kessel ind die lutensleger, 219. Die lutensle­ger, Bylant, bottelier, enzovoort, ald . - Ook in den vorm lutenslaerre (uit -slaenre?), lutenslaer. Mellema: luytenspeelder, luytenslaender, joueur du luc (ou luth). \\ Den tween luteslaers van onzen gheduchten heere, Invent. van Brugge 5, 100. - Voor het werkwoord slaen in den zin van spelen vergelijk ald. Gloss . 184, waar worden genoemd de zelfstandi­ge naamwoorden harpslagere, (bij Kil. harpenslager ; bij Mellema herpenslager ) en trompetslagere, -sla­erre ( Invent. Gloss. 438), alsmede de uitdrukking "die harpe slaen ', "die trompet slaen ", en slaan en slag , van den nachtegaal gezegd.

LUTENSPEELRE (LUYTEN-, LUYT-) zelfstandig naam­woord, mannelijk. Hetzelfde als lutenslager; zie aldaar, ook de aanhaling uit Kil. waar luytenspeler in voorkomt. Teuth. luytenspelre ( dit is -speelre), lutinista.

begin